Paul Vagant:

"Toen ik aan mijn collega's van het H. Pius X-instituut Antwerpen vertelde dat wij besloten hadden om de naam van onze groep "The Dockx Brothers" te veranderen en voortaan als "De Vaganten" door het showbiz-leven zouden trekken, gaf mijn collega Frans Nombluez een gouden tip! Hij was leraar geschiedenis en bezat een "internet-documentatie avant la lettre" ! Hij gaf mij een historisch correcte autobiografie van een vagant. Vaganten waren in de middeleeuwen lagere geestelijken en studenten die van kasteel tot kasteel trokken om daar hun liederen te zingen en die daarna alles weer verbrasten in de kroegen en taveernen...Deze tekst van bijna twee bladzijden was mijn inspiratiebron voor het lijflied van De Vaganten. Ik heb geprobeerd in enkele strofen de echte ziel van de vroegere vaganten te vangen. Ik ben dus ongelooflijk blij dat ik deze oorspronkelijke tekst al die lange jaren heb bijgehouden ...."

Wie alles wil weten over de vaganten en de goliarden uit de 12de en de 13de eeuw .... klikt hier. (Bron Wikipedia)

De Vagant

m’n karkas is opgevreten door de wijn en door het spel
van lichtzinnigheid bezeten door een wilde lust gekweld
‘k heb m’n toekomst weggesmeten samen met m’n laatste geld
nu probeer ik te vergeten dat m’n dagen zijn geteld

maar vandaag kan ik nog drinken
dus ik neem het er maar van
ik weet m’n ziel is dood en ik ben een zielepoot
ik verteer, ik krepeer, maar ik leef, maar ik leef nog

met m’n Psalmen en Ovidius m’n Regimen, m’n missaal
m’n Gezangen en Vergilius heb ik schulden afbetaald
‘k heb m’n kleren uitgetrokken jas en tabbaard in Dijon
ik verspeelde bij het gokken zelfs m’n broek in Besançon

ik verkwanselde in Doornik de gelaatstrek van m’n jeugd
en in Chateaudun verloor ik al m’n gratie en m’n deugd
in de kroegen en taveernen vond ik vrienden en plezier
met de maagden en de deernen ging ik nachtenlang op zwier

wie het wilde kon het horen hoe ik reisde door m’n land
hoe ik alles heb verloren hoe ik leefde als vagant
God, vergeef me al m’n zonden en geef mij uw hemelrijk
als ik morgen wordt gevonden met m’n ogen in het slijk

Autobiografie van een Vagant

Iedereen vraagt en wil het horen
hoe ik mijn spullen heb verloren
en hoe ik hopeloos in de knel zit
daar ik geen mantel meer noch hoed bezit.
Jas en tabberd heb ik uitgetrokken,
alles is heen, verloren bij het gokken.
Door het gokspel dat mij totaal verteert,
door mijn dwaasheid
is alles ten kwade gekeerd.

Het dobbelen heeft mijn wetenschap opgelost,
het dobbelen heeft mij al mijn spullen gekost,
heeft mijn vreugd veranderd in leed.
Geen stad in Frankrijk, voor zover ik weet,
geen enkele château komt mij voor de geest
of ik ben er een boek weer eens armer geweest.

In Gandalus boven La Ferté
liet ik achter mijn A.B.C.,
mijn Paternoster in Soissons
en mijn Credo in Monléon,
mijn Zeven Psalmen zijn in Doornik,
mijn Vijftien Psalmen in Cambrai verloor ik,
mijn Psalter is in Besançon
en mijn Calendarium in Dijon.

Terug kwam ik door Pontarlie
en daar verkocht ik mijn Litanie
en in de stad van de grote zoutmijn
heb ik mijn Missaal verdronken in wijn.
Naar de specerijenwinkel in Montpellier
nam ik mijn Antiphonarium mee.
Met mijn Legenda en mijn Graduale
heb ik in Châteaudun moeten betalen.

En verder, heel mijn theologie
liet ik in het hartje van Paris
en al mijn kunsten en heel mijn fysiek
en al mijn gezangen en mijn muziek.
Mijn meeste schrijvers - het waren er veel -
vielen het Martinusklooster in Tours ten deel.
Mijn meeste wijsheid is daarmee gegaan,
mijn lust naar spel en wijn was nooit voldaan.
Donatus in Orléans,
mijn liederen zijn in Amiens,
in Chartres bleef Théodulus,
in Rouen mijn Aviénus,
Ovidius zit in Namur, als huur,
de filosophie is in Saumur,
in Bouvines, boven Dinant,
ben ik verloren Ovid le Grand,
mijn Regimen is in Bruyères
en mijn Glossen in Mézières,
mijn Lucanus en Juvenaal
ben ik glad vergeten in Bonival,
Statius, de grote, en ook Virgile
verloor met het dobbelen in Abbeville,
mijn Alexander is in Guerre
en mijn Graecismus in Auxerre,
Tobit ligt in Compiègne,
nooit zal hij van mij weer zijn,
mijn Doctrinale is in Sens
en mijn meeste wijsheid daarmee heengegaan.

Weg is dus heel mijn geestelijkheid
precies zoals ik het u heb gezeid.
Kwijt zijn door allerlei harde slagen
al mijn boeken voor al mijn dagen.
Nooit meer zijn zij terug te kopen
of ik moet op goede mensen hopen
die mij wat geven van hun slijk.
Misschien dat God in het hemelrijk
een bourgeois met genade
tot snuggerheid noopt
om met mij te handelen, daar hij hoopt
dat, als ik weer in mijn klooster zal zitten
ik een gebed zal storten,
met heel het kapittel,
dat God hem al zijn zonden vergeve!